‘Weet u wat mij opvalt, mevrouw Boogaard?’ Ik ben op bezoek in het verpleeghuis. ‘Ja?’ ‘Dat u altijd, of u zich lichamelijk goed voelt of niet, dankbaar en tevreden lijkt.’ ‘Ja, dat is zo. Dat ben ik ook.’ Haar ogen stralen een vriendelijke rust uit.
‘Maar ik neem aan dat ook uw leven niet altijd gemakkelijk geweest is.’ Dan glijdt er kort een schaduw over haar nog steeds prachtige gezicht. Het is even stil. Mevrouw Boogaard zucht diep en probeert wat slijm weg te hoesten. Ik vraag: ‘Gaat het of zullen we ons gesprek een andere keer afmaken?’ Ze schudt haar hoofd en haalt haar smalle hand van onder het laken tevoorschijn en wijst naar me: ‘Ik wil jou wat vertellen.’ Ik blijf haar aankijken en schuif mijn stoel zo dicht mogelijk naar haar toe.
‘In de oorlog was ik koerierster. Dat moest vaak ’s nachts gebeuren. Het was in de zomer van ‘44. Laat op die avond moest ik een boodschap overbrengen aan een verzetsgroep ergens op de Veluwe. Degene die mij die boodschap gaf, had mij het adres uit mijn hoofd laten leren en had mij op het hart gebonden dat het adres en de boodschap nooit ergens bekend mochten worden. De opdracht was ook dat je altijd moest wachten tot het donker werd. Omdat ik een drukke dag achter de rug had en hoopte nog wat te kunnen slapen, stapte ik die avond wat eerder op de fiets.
Het was een mooie avond, de zon was net ondergegaan, maar het was nog niet helemaal donker. De boodschap in een dichtgeplakte enveloppe had ik in de zak van mijn rok verstopt. Die zak had ik zelf aan de binnenkant van mijn rok genaaid.
Ik reed op een zandweg toen ik ineens gekraak van takken hoorde. ‘Halt’ klonk het rechts van me. Ik schrok, want ik was nog lang niet op de afgesproken plek. In het Duits werd mij verteld dat ik af moest stappen. Twee jonge soldaten, ze waren niet ouder dan ikzelf, vroegen waar ik heen ging. Ik verzon ter plekke dat ik naar mijn zieke oma moest. Ze keken elkaar aan, lachten en knikten. Net toen ik dacht dat ik er goed afkwam en door wilde rijden, pakte de ene soldaat snel mijn fiets, de andere pakte mijn pols en nam me mee naar een plek in het bos. Ik verzette me nauwelijks.’
Ze stopt met praten, zucht diep en zegt opnieuw, terwijl ze me aankijkt: ‘Ik wil het vertellen.’ Ik knik en durf me nauwelijks te verroeren.

Wil je het verhaal verder lezen, of andere verhalen over verpleeghuisbewoners, hun familie en degenen die hen verzorgen? Koop dan het boek Graag gedaan, van Bertha Kruizinga. 

Close

Cart

Geen producten in je winkelmand.